Vanmorgen was ik vroeg wakker en ben ik even naar de Dellen gegaan, voor de hitte weer zou toeslaan. Er hing nog een heerlijke koelte tussen de bomen. De beukenbladeren die twee weken geleden nog bijna transparant waren zijn nu een stuk steviger en laten minder zonlicht door.

Ik wilde naar het zwijnenvennetje om te kijken of er al libelles het water uit kropen en om te zien hoe het met de zonnedauw ging. Onderweg er naar toe kwam ik deze langsprietmot tegen.

Bij het zwijnenvennetje ben ik eerst maar eens gaan zitten op het bankje dat er bij staat. Gewoon even genieten van de bosgeluiden en de vele vogels die hun lied lieten horen. Door de hoge bomen rondom het kleine watertje viel er nog niet veel zonlicht op de oevers.

Ik had verwacht dat de zonnedauw een stuk groter zou zijn dan de vorige keer maar tot mijn grote verwondering kon ik geen enkel plantje vinden. Alsof er iemand was langs geweest die alle plantjes had meegenomen. Hoe kan dat nou ? Zouden ze zijn verschrompeld in de warmte van de laatste dagen ?

Dan maar op zoek naar de waterjuffers en libelles die nu ongetwijfeld hun vleugels aan het drogen waren. Maar ook nu kon ik geen enkele vinden. Hier en daar hing het lege omhulsel van een nimf aan een grashalm, ze waren er dus wel. Zou ik te vroeg in de ochtend zijn ? Of komen ze op een ander tijdstip met z’n allen in een keer naar boven ? Ik moet dat toch eens uit gaan zoeken.

Zittend op je hurken aan de waterkant zie je altijd wel iets om te fotograferen, een spin in zijn web bijvoorbeeld.

En zowaar, ik zie ook nog een waterjuffer. Het beestje bungeld wat vreemd aan een grasstengel. Zou het een jonge waterjuffer zijn die bijna klaar is om weg te vliegen ?

Ik kan niet geloven dat alle zonnedauw verdwenen zou zijn en dus ga ik nog maar eens kijken. Dit weer wat verder van de oever. Door de warmte zou er wel eens heel wat water verdamd kunnen zijn waardoor de plantjes verder van de oever zouden staan. En zowaar, grotendeels verborgen door het lange gras zie ik ineens overal zonnedauw staan. Iets groter dan twee weken geleden maar nog altijd heel klein.

Tegen het licht in zie ik dat een van de blaadjes een prooi heeft. Aan de buitenkant zie ik een vlieg die van uitsteeksel naar uitsteeksel klimt. Ik had verwacht dat door die beweging het blaadje meteen zou opkrullen maar dat gebeurde niet.

Nu ik eindelijk het zonnedauw had gevonden zou ik ook wel eens geluk kunnen hebben met de waterjuffers. Maar weer zag ik niets. Net toen ik mij om wilde draaien om naar huis te gaan zag ik in een flits iets roze boven het water hangen. En jawel hoor, daar hing een jonge waterjuffer.

Het juffertje had een plek laag boven het water uitgezocht waardoor ik mij in allerlei bochten moest wringen om toch een foto te kunnen maken. Uiteindelijk bleek dat ik het beste op mijn knieën kon gaan zitten met mijn ellebogen in het water. Gelukkig bleven daar geen bloedzuigers aan hangen.

Van boven af kijkend op de libelle was het gaatje waar ze uit haar oude huid was gekropen goed te zien.

Even verderop zie ik een waterjuffer wat moeizaam fladderen. Het achterlijf was nog rozig, een jonge waterjuffer dus die waarschijnlijk net haar eerste vlucht maakte.

Tegen de tijd dat ik weer opstond met natte knieën en ellebogen kon ik de warmte van de komende dag alweer voelen. Tijd om naar huis te gaan.