Vanmorgenvroeg scheen het zonnetje hier in Zwolle. Met de regen van de laatste dagen kon er in het het bos wel eens een mooie nevel hangen. Maar eenmaal de IJssel over gestoken was de zon alweer verdwenen achter laaghangende bewolking. Daar ik toch al halverwege was besloot ik maar door te rijden. Mocht het echt te donker zijn in het bos dan kon ik altijd nog verder kijken.

Ik ben maar direct doorgelopen naar het zwijnenvennetje. Wie weet kon ik de libelles daar uit hun oude huid zien kruipen. Aan een van de stengels van het biesgras hing een lege nimf. Daar moest een enorme libelle uit zijn gekomen, zo een grote als deze had ik nog nooit gezien.

Ik ben verder langs de oever van het vennetje gelopen, steeds zoekend naar een andere nimf om te fotograferen. Aan de overkant zag ik er eindelijk eentje hangen. Hij zag er wel wat eigenaardig uit met die gele ogen. Er zat geen beweging in, mij leek het toe dat hij dood was.

Even verderop zag ik een klein beestje bij een graspolletje omhoog klimmen. In eerste instantie leek het een rupsje, maar eenmaal een foto gemaakt en ingezoomd zag ik dat het de larve (nimf) van een waterjuffer was. Al was het wel een heel kleintje en vroeg ik mij af hoe klein de waterjuffer wel niet moest zijn die er uit zou komen.

Beide nimfen hadden wel een heel lastige plek voor mij uitgekozen. De polletjes gras waar ze in zaten stonden in een grote modderpoel. Wanneer ik er even in stil stond zakte ik er tot mijn enkels in weg. Tot dan toe had ik mijn knieën schoon weten te houden, maar de zomen van mijn broekspijpen waren nu zwart en nat.

Verderop zag ik weer een donker vlekje: zou het ook een nimf zijn ? Natuurlijk weer op een lastige plek. Dit keer aan wat grasstengels boven het water onder een dennenboompje. Het bleek geen nimf maar een mot te zijn. Tenminste, ik denk dat het een mot is, ik heb de naam nog niet kunnen achterhalen.

Ik maakte mijn rondje rond het vennetje af en was weer bijna bij het begin toen ik er ineens eentje zag: een libelle die geboren werd.

Ik blijf het wonderlijk vinden, die transformatie van nimf tot libelle. En zoals de libelle daar dan hangt, bleek en hulpeloos, wachtend tot hij weg kan vliegen. En terwijl ik op mijn hurken zat om deze libelle te fotograferen, zag ik dat er meerdere libelles bezig waren met hun transformatie.

Een paar van hen hadden zelfs een hele eigenaardige kleur. Een soort blauw/groen.

Kijkend door de zoeker van de camera, leek het wel alsof ik naar een buitenaards wezen keek.

Toch wel vreemd, zo’n wezentje op de kop fotograferen. Ik heb de foto eens omgedraaid om te kijken wat daar het effect van zou zijn.

Door de prachtige kleuren van het beestje bleef ik maar door fotograferen.

Wanneer de libelle net uit zijn omhulsel kruipt, zijn de vleugeltjes nog helemaal opgefrommeld. Maar al snel gaan de kreukels er uit doordat er bloed in de vleugels wordt gepompt.

 

Ik ben nog even teruggelopen naar de eerste nimf die ik zag. Die bleek niet dood te zijn. Ook deze was druk bezig zich te ontworstelen van zijn oude huid. Een mier kwam even poolshoogte nemen.

Ik had graag het wegvliegen van de libellen afgewacht, maar dat zou zeker nog een uur duren, zo niet langer. En daar ik ondertussen van mijn enkels tot aan de schouders nat was en het koud begon te krijgen, ben ik toch maar naar huis gegaan.