Het lijkt alweer zo lang geleden, 16 December, maar terugkijkend naar de foto’s kan ik de hitte weer voelen van die dag. We waren in het noorden van Costa Rica, in het natuurpark bij de vulkaan Rincón de la Vieja, wat de hoek van de oude vrouw betekend. We gaan vroeg op pad, half zeven ontbijten en zeven uur rijden zodat we voor de hitte van de middag weer terug kunnen zijn.

We gingen het park in via een kleine hangbrug over een riviertje.  Het woud was dicht begroeid, de paden vaak hobbelig door de vele wortels die er overheen groeiden. Gelukkig waren de paden wel goed begaanbaar zodat het niet zwaar lopen was en we goed om ons heen konden kijken.

Dit regenwoud was weer heel anders dan die we zagen in Monteverde. Geen druipende mossen aan alle takken en boomstammen, geen overdaad aan bromelia’s op de takken van de bomen. Maar wel prachtige grote bomen met plankwortels. Platte, hoge wortels die ver uitliepen het bos in.

Ook waren er veel lianen te zien. De meesten vonden van boven af voet in de grond, maar sommigen groeiden door omstandigheden weer omhoog. Soms omdat ze zich via een andere liaan omhoog werkten of doordat ze onderweg een tak vonden om op te rusten en door te groeien.

Andere bomen werden in een wurggreep vastgehouden door ficussen, soms was de boom zelf dan helemaal niet meer te zien.

Rondom de vulkaan zijn in het park allerlei vulkanische aktiviteiten waar te nemen. Zo was er een meertje met heet water.

Er vlak bij waren gele zwavelvennetjes te zien. De rotsen er omheen waren ook geel uitgeslagen. Wonderlijk genoeg groeide er wel gras tussen.

Tijdens de wandeling wees de reisleidster ons op een plant die op een bijzondere manier samenleeft met mieren. De mieren krijgen sap van de plant en wonen in de grote holle stekels, in ruil daarvoor jagen de mieren eventuele planteneters als rupsen weg.

Bij een rotswand naar beneden kijkend zien we een stenosaurus zonnebaden in de ochtendzon. Onze eerste hagedis op de foto.

Door het woud lopen meerdere riviertjes, sommigen heel klein, anderen groter. Bij deze moesten we over de rotsen klimmend de overkant zien te bereiken.

Eenmaal aan de overkant werden we verrast door een waterval. Een wonderlijk gezicht, zo midden in het dichte woud.

De meeste bloemen in het bos bevinden zich in de hoogte, daar waar het licht is. Deze bloem hing naar beneden en net in het zonlicht waardoor hij extra opviel tegen het donkere bos op de achtergrond.

Her en der in het bos waren ook weer vennetjes te vinden met helder, heet water.

En dan was er ook nog een vennetje met kokend modder. Een eigenaardig gezicht en een nog vreemder geluid.

Boven een klein riviertje, op een omgevallen boom, zag ik nog deze bloempjes bloeien. Op de een of andere manier leken zij mij hier helemaal niet op hun plaats.

Nog even wat laatste houten verstrengelingen bekijken, het bruggetje over en dan terug naar de bus. Het was ondertussen knap heet geworden in het bos