Door het raam van de trein kijk ik naar het landschap dat aan mij voorbij trekt: De zachte deken poedersneeuw dat over de weilanden ligt, grote groepen ganzen, zwanen in de wakken in het ijs, op een ondergelopen weiland draaien meisjes pirouetten op het ijs, kale bomen de afsteken als zwart kant tegen de witte achtergrond van sneeuw en lucht. In een klein stukje bos hangt wat nevel waar de zon haar harpen in maakt, een kerktorentje met een wit dak…..

Ik geniet. Van de herinneringen aan de kleuren van vogels en bloemen van de laatste weken, van het wit en het weidse van het nu. Wat is de wereld toch mooi.

Voorbij Amersfoort wordt de sneeuw dikker. De Veluwe is verandert in een sprookjesbos met witte takken en halve zwarte boomstammen. In Zwolle ligt alles onder een dik pak sneeuw. Met mijn bergschoenen, de modder van het Costa Ricaanse regenwoud nog in het profiel, doorbreek ik de maagdelijkheid van de sneeuw op mijn stoep.

Na het binnenkomen moet Xarak eerst even voorzichtig aan mij ruiken, even kijken wie de vreemdelinge is. Maar dan wordt ik herkend en lijk hij wel een bolletje kleefkruid, een uur lang is er wel een deel van zijn lichaam dat stevig tegen mij aan gedrukt wordt.

Dan stap ik nog even naar buiten met de camera, nog snel wat foto’s voor ik wat ga proberen te slapen. Je weet maar nooit, misschien is morgen alle sneeuw wel weg.