Het werd weer eens de hoogste tijd voor wat foto’s van Costa Rica. We zitten nog steeds in Sarapiqui. Volgens de reisleidster moesten hier talloze zwart-groene kikkers zitten. Onderweg van haar hut naar het restaurant had ze er wel tien gezien. Maar hoe ik ook zocht en hoe goed ik ook keek, ik zag er geen eentje. Eigenaardig, thuis kan ik kikkers zo vinden, maar die kleurrijke dingen hier bleven voor mij een soort van blinde vlek.

Wat ik wel zag waren kleine hagedisjes. Door even stil te staan en heel langzaam te bewegen kon ik die aardig dicht benaderen.

Wanneer ze er eenmaal vandoor gingen deden ze dit met een reusachtige sprong. Maf om te zien omdat je aan hun lijf niet kon zien dat ze gingen springen. Ze leken gewoon vanuit stand ineens naar een andere plek te zijn “gebeamed”. Een van de hagedisjes was ook nog zo vriendelijk om zijn mooie keelflap te laten zien.

Maar goed, ik was op zoek naar die groen-zwarte kikkertjes die ik nog steeds niet had gezien. En wie ik er ook over sprak, allemaal hadden ze er al veel gezien. Ik begon echt het gevoel te krijgen in de maling te worden genomen. Maar ik bleef zoeken, ik moest hoe dan ook eentje vinden.

En eindelijk, wat geritsel deed mij naar een plekje op de grond kijken en daar zat er eentje. Klein maar met een knal groene gevlekte huid. Hoe kon ik daar nou overheen hebben gekeken?

En nu ik de eerste had gezien zag ik er veel meer, allemaal scharrelend over de bosbodem ondertussen hier en daar insecten naar binnen werkend.

Een kikkertje op een steen deed gelukkig wat de meeste kikkers doen wanneer ze even geen uitweg zien: ze blijven doodstil zitten. En dus kon ik langzaam dichterbij komen om een foto te maken.