Wat waren ze schetig, de kleine everzwijntjes bij het aardhuis. Een bundel beweging dat van hot naar her rende, achterelkaar aan of over elkaar heen.

Of om, net als de volwassenen, met hun neuzen in de grond wroeten opzoek naar voedsel.

Na al dat heen en weer geren en gestoei was het rusten geblazen. En wanneer het zo koud is als het rond deze tijd kan zijn, kun je maar beter dicht op elkaar kruipen. Dat luidde weer een nieuwe drukke periode in: elk van hen wou in het midden, daar waar het lekker warm was. Het leek dan ook meer op een bewegende, gestreepte bal dan op een hoopje rustende kleintjes.

En na die poging om gezamenlijk even te rusten was het voedertijd. Moeder haalde ze op, liep naar een rustig plekje, en ging liggen zodat iedereen bij de tepels kon.

Het was lastig afscheid van ze te nemen, maar met twee vol geschoten geheugenkaarten was het maar beter om te gaan om een andere keer terug te gaan.