Vrijdagmorgen ben ik in de vroege ochtend weer eens even naar het zwijnevennetje geweest. Eenmaal daar bleken de libellelarven al heel vroeg uit het water te zijn gekropen. Het leek wel of ze er allemaal tegelijkertijd uit waren gekropen want ze waren allemaal even ver in het opdrogen.

Echt overal hingen de beestjes aan het gras en de heidepolletjes langs de rand van het vennetje.

En al die vleugels van die libellen waren bedekt met hele kleine druppeltjes. Daar waar de zon tussen de takken door scheen schitterden deze als duizenden diamantjes.