Vorige week had ik een paar daagjes vrij. Eigenlijk om uit te rusten en wat klussen in en om het huis te doen. Maar woensdagmorgen was het zulk mooi weer dat ik toch maar besloot te gaan wandelen. Dit keer in het Speulderbos, op zoek naar de dansende bomen. Die heb ik helaas niet in grote getale gevonden, maar het bos was prachtig  dus een verloren ochtend was het zeker niet.

Wat ik ook vond was een mooie sponszwam. Die had zijn beste tijd al gehad, gelukkig maar, anders had ik nog moeten besluiten of ik wel of niet een stukje mee zou nemen want het is een erg lekkere zwam.

Zo heel af en toe vond ik een toch een ‘dansende’ boom, een kromme boom waar het bos vol mee zou moeten staan.

En zo hier en daar toch ook nog paddenstoelen, altijd weer leuk om te zien hoe ze net zo trots als de bomen boven het bladerbed uitsteken.

En tussen al dat gebladerte op de grond kropen heel wat mestkevers rond. Stuk voor stuk even traag en sloom.

Maar het meest in het oog springend waren toch de prachtige bospaden. Door de hoge bomen was het af en toe alsof je door een kathedraal liep.

Even rustend op een bankje kwam er een stel aangelopen. Man voorop, druk bezig een kaart te bestuderen, de vrouw er achter aan terwijl ze druk om zich heen keek. Of ik wist of dit de Peppelweg was (of zoiets). Een rare ervaring om midden in een bos gevraagd te worden naar de naam van een bospad.

Zo af en toe hoorde ik de wind door de boomkruinen waaien, ik hoefde dan niet lang te wachten op het naar beneden dwarrelen van de bladeren. Het zal niet lang meer duren voor alles kaal is geworden.